Lerend Netwerk E-leren: 11 opleidingsaanbieders zetten een bestaande of nieuwe opleiding om in e-content

“Afstandsleren is een blijver”. Dat stelt onderwijsexpert Dirk Van Damme (OESO) nadat de voorbije lockdowns een grote meerderheid van opleidingsverstrekkers het aanbod omschakelde naar e-leren. In deze bijdrage stellen we de vraag hoe het recent opgestarte lerend netwerk e-leren tegemoetkomt aan vastgestelde noden. Wat zijn de instapvoorwaarden en de principes (zoals intensiteit, interactiviteit en co-creatie) waaraan een gedigitaliseerd traject moet voldoen? Welke fases moeten doorlopen worden om tot een kwalitatief aanbod te komen?

Op 1 september 2020 ging het lerend netwerk e-leren van start onder begeleiding van het advies -en opleidingsbureau Obelisk en de expert e-leren Multimedi. Beide partners zijn door SYNTRA Vlaanderen aangesteld om 11 opleidingsverstrekkers te ondersteunen bij het omzetten van opleidingstrajecten naar e-leren. De herwerkte trajecten zetten in op een kwalitatieve analyse van educatieve technologieën en dienen als proeftuin om de opleidingsverstrekker warm te maken voor e-leren en de mogelijkheden op dat vlak te (her)bekijken.

Voorwaarden om deel te nemen

Tabel 1. Opleidingsverstrekkers die deel uitmaken van het lerend netwerk e-leren, opleidingstraject/module en aantal uren.

De 11 opleidingsverstrekkers namen deel aan de gunningsprocedure van SYNTRA Vlaanderen en dienden te voldoen aan vijf instapvoorwaarden. Die voorwaarden zijn de schaalbaarheid, het opleidingsdoel, de leerdoelen en leerinhouden, de eindevaluatievorm en de visie op e-leren.

Met schaalbaarheid bedoelen we de grootte van de (potentiële) cursistengroep. Welke doelgroepen wil de opleidingsverstrekker bereiken? Hoeveel inschrijvingen per jaar worden beoogd? De integratie van e-leren gaat immers gepaard met een grote investeringen op vlak van tijd en middelen. Het bereik of de schaalbaarheid toont aan in welke mate de investeringen verdedigbaar zijn.1

De tweede toelatingsvoorwaarde vormt het opleidingsdoel. Voor dit lerend netwerk diende het opleidingstraject (en de investeringen) in te spelen op de beleidsprioriteiten van SYNTRA Vlaanderen en VLAIO, namelijk: ondernemerschap, ondernemerscompetenties en/of nieuwe marktevoluties zoals digitalisering, technologie of circulaire economie.

Als derde voorwaarde wordt gestreefd naar gedetailleerde en nauwkeurig afgebakende leerdoelstellingen en leerinhouden. Op basis van de inhoudelijke richtlijnen wordt immers bepaald welke leeractiviteiten het meest geschikt zijn voor e-leren.

Ten vierde dient het opleidingstraject een eindevaluatievorm te omvatten zoals formatieve (feedback op opdrachten, oefeningen, ondernemersplan) of summatieve examinering (eindscore, examencommissie). Dit voor het volledige opleidingstraject, inclusief het gedeelte afstandsleren. Deze toetsing moet cursisten stimuleren om het gedeelte e-leren volledig te doorlopen en voorkomt ‘dat cursisten wegdromen of e-mails checken’.2

Een specifiek beleid of visie rond e-leren, ten slotte, is bij voorkeur opgenomen in het businessmodel van de opleidingsverstrekker. Een gezamenlijke strategie binnen de organisatie zorgt ervoor dat e-leren meer kans op slagen heeft.3 Daarnaast is de aanwezigheid van een technisch team of ontwikkelaar en is het gebruik van een Learning Management Systeem (LMS) zoals Smartschool, Totara, Chamilo, Canvas en Blackboard een belangrijke randvoorwaarde. Via ‘learning analytics’ kan de voortgang van de verschillende onderdelen opgevolgd worden, nagegaan worden hoe lang iemand is ingelogd en of modules al dan niet voltooid zijn.4

Uiteindelijk schreven 11 opleidingsverstrekkers zich in voor deze overheidsopdracht en waren alle geslaagd voor de gunningscriteria. In tabel 1 staat per opleidingsverstrekker het geselecteerde opleidingstraject vermeld. 

  • 1. Idea Consult (2019). E-leren in Vlaanderen. Geraadpleegd van file:///D:/Downloads/Eindrapport%20eleren_29.03%202019.pdf p.23
  • 2. Idea Consult (2019). E-leren in Vlaanderen. Geraadpleegd van file:///D:/Downloads/Eindrapport%20eleren_29.03%202019.pdf. p.35
  • 3. Idea Consult (2019). E-leren in Vlaanderen. Geraadpleegd van file:///D:/Downloads/Eindrapport%20eleren_29.03%202019.pdf. p.45
  • 4. Idea Consult (2019). E-leren in Vlaanderen. Geraadpleegd van file:///D:/Downloads/Eindrapport%20eleren_29.03%202019.pdf. p.23, 60

Aanleiding van de opstart van het lerend netwerk

Als gevolg van COVID-19 is in versneld tempo een ommezwaai gemaakt naar E-learning. Uit een bevraging van het Departement Werk & Sociale Economie  blijkt dat 80% van de opleidingsverstrekkers uit de Opleidingsdatabank voor Vlaamse opleidingsincentives minstens deels overgeschakeld is naar e-leren of het aanbod uitbreidde. Gezien de beperkte voorbereidingstijd voor opleidingsverstrekkers en docenten biedt het lerend netwerk de opportuniteit om ervaringen en expertise uit te wisselen, de huidige werking te evalueren en bij te sturen waar nodig. Experten zoals Wouter Duyck (UGent)1 en Dirk Van Damme, diensthoofd van het Centre for Educational Research and Innovation (OESO)2 bevestigen bovendien dat het afstandsleren in Vlaanderen nog niet op punt staat. Extra ingrepen zoals investeringen in IT-infrastructuur en de ondersteuning van leraren en leerlingen zijn noodzakelijk voor het garanderen van kwalitatieve opleidingen.

Daarnaast wordt e-leren door de OESO als middel gezien om de beleidsprioriteit levenslang leren te promoten.3 Afstandsleren, stelt de OESO, moet de deelname aan opleidingen vergroten door obstakels zoals onvoorspelbare werkschema’s of een moeilijke combinatie tussen werk en privé weg te werken. Op dit moment volgt slechts 1 op de 10 Vlamingen tussen 25 jaar tot 65 een bijkomende opleiding.4 Hiermee scoort Vlaanderen (8,6%) lager dan het EU-gemiddelde (11,3%). Het referentieland op het gebied van opleidingsparticipatie is Zweden met 34,3%.5 In een krantenartikel verwoordt Arbeidseconoom en Professor Stijn Baert het als volgt: “Het lijkt in ons land wel alsof er een Chinese muur staat tussen de schoolbanken en de arbeidsmarkt: eenmaal iemand een diploma heeft, keert die persoon amper terug’.6

Een derde argument om het lerend netwerk op te starten, is het uitwerken van doelgerichte en efficiënte beleidsprikkels. Welke financiële, technologische, didactische en administratieve voorwaarden zijn nodig om e-leren bij de erkende ondernemerscentra (SYNTRA vzw’s) en de vrije markt succesvol uit te bouwen? Ook wordt een antwoord gezocht op de vraag hoe co-creatie kan gestimuleerd tussen private opleidingsverstrekkers om investeringen te delen en expertise uit te wisselen.

  • 1. https://www.vrt.be/vrtnu/a-z/pano/2020/pano-s2020a11/
  • 2. https://www.demorgen.be/nieuws/onderwijsexpert-oeso-we-moeten-leerachterstand-door-schoolsluiting-onmiddellijk-corrigeren~bdff1bbb/
  • 3. OESO (2019). OESO Skills Strategie Vlaanderen. Evaluatie en aanbevelingen. Managementsamenvatting. Geraadpleegd van https://www.oecd.org/skills/nationalskillsstrategies/OECD-Skills-Strategy-Flanders-Executive-Summary-Dutch.pdf
  • 4. Zie ook: https://odin.syntravlaanderen.be/cijfers-uitgelegd/opleidingsdeelname-en-de-opleidingsinspanningen-van-werkgevers-vlaanderen
  • 5. https://www.statistiekvlaanderen.be/nl/levenslang-leren-opleidingsdeelname
  • 6. https://www.demorgen.be/nieuws/misschien-krijgt-e-leren-de-belg-eindelijk-zover-om-een-opleiding-te-volgen~bfebaa36/

De belangrijkste principes van het lerend netwerk

Het rapport ‘E-leren in Vlaanderen’ (2019) van Idea Consult onderscheidt drie principes om blended leertrajecten succesvol uit te bouwen: intensiteit, interactiviteit en co-creatie.

1. Intensiteit

Zowel Idea Consult als de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) benadrukken het belang van intensiteit binnen het gedeelte e-leren. Onder intensiteit wordt de variatie verstaan in tussentijdse testen (opdrachten, zelfanalyse), digitale werkvormen (zelfstudiepakketten, oefeningen en groepswerken) en/of de toepassing van verschillende educatieve technologieën.1 Multimedi zal tijdens het lerend netwerk twee online inspiratiesessies (16h) geven, waarbij de deelnemers kennismaken met een brede waaier aan technologieën. Onlinesoftware die onder meer aan bod komt: Google Classroom, Moodle, Smartschool, Slack, PowerPoint (in combinatie met I-spring), Screencast-o-matic, Learningfever, Vimeo, Trello, GitLab, Whiteboard, Kahoot, Socrative, Miro, tricider, Flipgrid, Kaizena, Microsoft formulieren, Quizziz, H5P en Mooc’s. Deze educatieve technologieën kunnen zowel op de campus als op afstand toegepast worden.

De uiteindelijke doelstelling van het principe is het beperken van drop-outs en het kortbij kunnen opvolgen van cursisten.

  • 1. Idea Consult (2019). E-leren in Vlaanderen. Geraadpleegd van file:///D:/Downloads/Eindrapport%20eleren_29.03%202019.pdf. p.60

2. Interactiviteit

De KU Leuven beklemtoont in haar onderzoek ‘Van E-learning naar geïntegreerd blended learning’ dat sociaal contact sterk gewaardeerd wordt binnen opleidingen.1 Idea Consult stelt bovendien dat cursisten in blended leren vooral sociaal contact appreciëren en minder de voordelen van e-leren zoals maatwerk of flexibiliteit.2 Rekening houdend met deze aandachtspunten verkiest de afdeling regie ondernemersvorming binnen SYNTRA Vlaanderen voor dit project een beperkt percentage aan e-leren (30-50%) per opleidingstraject. E-leren is vooral bedoeld als middel om bepaalde werkvormen, leeractiviteiten en toetsing te verbeteren of uitdagender te maken. De focus ligt op de lerende, de inhoud en de didactiek.3 De vooropgestelde verhouding tussen afstandsleren en fysieke lessen dient niettemin geëvalueerd te worden. Door nieuwe evoluties in onlinesoftware en praktijkervaringen in de eerste en de tweede coronagolf kan van het vooropgestelde percentage in de toekomst afgeweken worden.

De literatuur onderscheidt verder twee manieren van interactie op het gebied van e-leren: asynchroon of vertraagd (bijvoorbeeld mail, discussieforum, lesopnames) en synchroon of live (bijvoorbeeld. chat, video). Beide communicatievormen worden door de opleidingsverstrekkers geïntegreerd binnen afstandsleren.4
Tot slot krijgen de deelnemende opleidingsverstrekkers de opdracht om de interactie op de campus maximaal te bevorderen, aangezien dit minder aan bod komt bij het afstandsleren. Zoals bij het deel over ‘intensiteit’ geschetst, kunnen educatieve technologieën zoals Kahoot, Socrative en Miro toegepast worden om de interactie tussen docent en cursisten en/of cursisten onderling te bevorderen.

  • 1. Associatie KU Leuven (2011). Van E-learning naar geïntegreerd blended learning. Geraadpleegd van https://associatie.kuleuven.be/schoolofeducation/projecten/Van%20e-learning%20naar%20blended%20learning.pdf p. 48
  • 2. Idea Consult (2019). E-leren in Vlaanderen. Geraadpleegd van file:///D:/Downloads/Eindrapport%20eleren_29.03%202019.pdf. p.33
  • 3. Associatie KU Leuven (2011). Van E-learning naar geïntegreerd blended learning. Geraadpleegd van https://associatie.kuleuven.be/schoolofeducation/projecten/Van%20e-learning%20naar%20blended%20learning.pdf. p. 15
  • 4. Idea Consult (2019). E-leren in Vlaanderen. Geraadpleegd van file:///D:/Downloads/Eindrapport%20eleren_29.03%202019.pdf. p.18

3. Co-creatie

In dit project wordt ingezet op het delen van expertise en financiering en het hergebruiken van digitale leermethodes en leermateriaal. Het doel is om tot grote efficiëntiewinsten te komen. Ook dient SYNTRA Vlaanderen te vermijden dat publieke middelen aan meermaals gelijkaardige of dezelfde leermethodes/materiaal worden besteed. Tijdens de ontwerp -en productontwikkelingssessies zal Obelisk in totaal vijf intervisiemomenten inlassen.

Voortgang van het proces van het lerend netwerk

Op dit moment (november 2020) bevindt het lerend netwerk zich halfweg de ontwerpfase. Deze fase bestaat uit een sessie digitale didactiek (‘basics van een kwalitatief E-opleidingstraject’), twee inspiratiesessies rond educatieve technologieën en twee intervisiemomenten. Het is de bedoeling om de leerdoelstellingen en leeruitkomsten te concretiseren aan de hand van cognitieve deelcompetenties van het leermodel van Bloom (1956), Anderson en Krathwohl (2001)1 en te koppelen aan mogelijke educatieve technologieën. Tegen 16 december 2020 volgt een tussentijdse rapportering, waarin het ontwerp, het budgetplan en de vooruitzichten voor productontwikkeling worden uiteengezet. SYNTRA Vlaanderen zal hierop feedback geven en afhankelijk van de voortgang kan, in samenspraak met Obelisk en Multimedi, een actieplan opgesteld worden om de productontwikkeling tot een goed einde te brengen.

In de productontwikkelingsfase wordt het vastgelegde ontwerp uitgewerkt door de opdrachthouder, in overleg met docent(en), ontwikkelaar(s), ICT-leveranciers en collega-opleidingsverstrekkers. In deze fase richten Obelisk en Multimedi zich vooral op volgende aspecten: hoe leg ik contact met ICT-ontwikkelaars? Wie is het best geplaatst in mijn organisatie om content te ontwikkelen? Hoe maak ik de keuze om uit te besteden en wat doe ik zelf? Change management: hoe krijg ik iedereen binnen mijn organisatie in de juiste mindset? Hoe leg ik contact met inhoudelijke experts? Wat met mediatraining bij het opnemen van video’s? Hoe doe ik een dry-run? Werk ik met opnames of doe ik alles live? Hoe houd ik mijn materiaal future proof? Etc.

Alle opdrachthouders engageren zich om in juni 2021, per gedigitaliseerd opleidingstraject, een presentatie te geven. Daarin worden de resultaten van het e-traject gedemonstreerd en wordt stil gestaan bij sterke en verbeterpunten. Deze bijeenkomst vormt het laatste leermoment voor zowel de opdrachthouders, het expertisecentrum als SYNTRA Vlaanderen. Na de demonstratie van het e-traject wordt het opleidingstraject ook effectief georganiseerd.

In onderstaand schema wordt het volledig proces visueel weergegeven.

  • 1. Leermodel van Bloom (1956), Anderson en Krathwohl (2001): instuderen (niveau 1), begrijpen (niveau 2), toepassen (niveau 3), analyseren (niveau 4), evalueren (niveau 5) en creëren (niveau 6). Zie https://snro-instituut.nl/wp-content/uploads/2017/09/bloom.pdf

Was deze informatie nuttig?

Bedankt voor uw feedback!

Auteurs

Departement Werk & Sociale Economie

Recente blogberichten